Wat is limb-girdle spierdystrofie – Bekkengordeldystrofie (LGMD)?

Bij neuromusculaire aandoeningen in het algemeen functioneren spieren niet of onvoldoende omdat er iets fout gaat in het ruggenmerg (1), de zenuwen (2), de overgang van de zenuw naar de spier (3) of de spieren zelf (4). Aan de hand van de plaats van het defect worden er dan ook vier groepen onderscheiden.

Bij bekkengordeldystrofie gaat er iets fout in de spieren zelf. Bekkengordeldystrofie is eerder een verzamelnaam voor verschillende typen van de aandoening, waarbij spieren – vooral die ter hoogte van de heupen en de schouders – een toenemende zwakte vertonen. Door verder onderzoek werden de laatste jaren steeds meer types bekkengordeldystrofie ontdekt. De onderlinge verschillen liggen in de aard van de overerving, de plaats van het genetisch defect en het ontbrekende of falende eiwit. In de tabel is een schematisch overzicht terug te vinden. De kenmerken als gevolg van deze verschillen kunnen van belang zijn bij de behandeling. Een vraag die hierbij gesteld kan worden is of er bijvoorbeeld al dan niet een kans op hartfalen bij komt kijken. Bovendien kan het verschil in overerving een rol spelen bij kinderwens of voor de familie van de persoon met bekkengordeldystrofie. Daardoor is het wellicht wenselijk verder genetisch onderzoek te overwegen voor personen bij wie deze aandoening een tijdje geleden vastgesteld werd.

De naam bekkengordeldystrofie werd voor het eerst gebruikt door de artsen Walton en Nattrass in 1954. Zij gebruikten deze term om de aandoening van schouder- en bekkengordelzwakte te onderscheiden van andere spierdystrofieën zoals Duchenne en Becker. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd het bestaan van bekkengordeldystrofie ontkend, doordat heel veel andere aandoeningen werden ontdekt die ook zwakte van de schouder- en bekkengordelspieren gaven. In 1991 werd duidelijk dat het wel degelijk om een bepaald type aandoening ging.

FOTO links: Professor Frederick Nattrass - Foto rechts: Professor John Walton

Ondertussen werden er reeds verschillende vormen gevonden. Een andere benaming voor bekkengordeldystrofie is limb-girdle spierdystrofie. De meest voorkomende afkorting is LGMD en staat voor limb-girdle muscular dystrophy.

Naar schatting hebben één à twee mensen per honderdduizend bekkengordeldystrofie. Dat komt neer op honderd tot tweehonderd personen in België, in principe net zoveel mannen als vrouwen.

Type 1 en type 2

Er worden 2 grote hoofdgroepen onderscheiden, type 1 en type 2. Deze zijn verdeeld naar de manier waarop deze types overerven: Type 1 erft autosomaal dominant over en type 2 autosomaal recessief.

Beide hoofdtypes zijn op hun beurt verder onderverdeeld in subtypes. Deze subtypes worden aangeduid met hoofdletters. Er worden nog steeds nieuwe subtypes ontdekt. Type 1 wordt momenteel onderverdeeld in 6 subtypes aangeduid met het cijfer 1 gevolgd door de letters A t.e.m. F (bijvoorbeeld 1A). Type 2 wordt gelijkaardig onderverdeeld in 11 subtypes aangeduid met het cijfer 2 gevolgd door de letters A t.e.m. J (bijvoorbeeld 2A). Bij elk subtype mist men een bepaald eiwit. Soms is nog niet ontdekt welk eiwit bij een bepaald type limb-girdle-dystrofie ontbreekt.

Verschijnselen

Bekkengordeldystrofie kan op elke leeftijd ontstaan. De eerste verschijnselen doen zich meestal voor tussen het eerste en dertigste levensjaar, soms ook nog op middelbare leeftijd. Eén van de eerste kenmerken is een waggelende gang, veroorzaakt door zwakte van heup- en beenspieren. De spierzwakte neemt meestal langzaam in ernst toe, maar – afhankelijk van het type bekkengordeldystrofie – zijn er individueel grote verschillen waarneembaar.

Er zijn indicaties dat de spierzwakte sneller toeneemt wanneer de ziekte op kinderleeftijd begint.

Kinderen vinden het vaak moeilijk om te hollen en vallen dikwijls. Traplopen of uit een stoel opstaan kan lastig zijn. Zwakte in de schouders kan het moeilijk maken om de haren te kammen, iets zwaars te tillen of iets van een hoge plank te nemen. Soms kan ook de hartspier verzwakt raken. Of er kan een abnormale transmissie plaatsvinden van signalen die de hartslag reguleren (ritmestoornis of geleidingsafwijkingen). Het hart trekt dan minder goed samen. Het is aan te raden de hartfunctie regelmatig te laten controleren. Door regelmatige controle is de hartstoornis vaak al gekend voordat de eerste klachten optreden. Met leefstijladviezen en medicijnen kan de verdere verzwakking van de hartspier vertraagd worden.

Ook de ademhalingscapaciteit wordt best in de gaten gehouden. Wanneer de inademing niet meer voldoende is, neemt de luchtverversing in de longen af. Dit zal eerder ’s nachts dan overdag optreden omdat de ventilatie in liggende houding en tijdens de slaap altijd minder is dan in wakkere toestand. Door goede controle kunnen ademhalingsproblemen tijdig opgespoord worden.

Naast spierzwakte kunnen er contracturen optreden. Contracturen zijn vergroeiingen van ledematen ten gevolge van verkorting van spieren.

De ledematen komen daardoor in een afwijkende stand. De vergroeiing zelf is niet pijnlijk, wel kan er pijn ontstaan door scheefstand.

Vermoeidheid kan alomtegenwoordig zijn. Waarschijnlijk is de oorzaak hiervoor te zoeken in het feit dat er te veel energie gebruikt wordt. Het is dan ook belangrijk om dit zoveel mogelijk te voorkomen door een balans te vinden tussen in- en ontspanning.

De functies van spijsvertering, darmen en blaas blijven onaangetast. Ook de seksuele organen blijven normaal. Het verstandelijke vermogen en de zintuigen blijven eveneens intact.

Sommige personen reageren slecht op verdoving. Het is belangrijk hiermee rekening te houden wanneer een operatie gepland is.

Tot op heden is het niet mogelijk het individuele verloop van bekkengordeldystrofie te voorspellen.

Diagnose

Het bepalen van de diagnose gebeurt op basis van een aantal verschillende onderzoeken. De arts luistert naar de klachten, stelt vragen en voert eenlichamelijk onderzoek uit. Bij het lichamelijk onderzoek wordt de spierkracht gemeten en wordt er gezocht naar contracturen. Ook de reflexen worden getest.

Anamnese en lichamelijk onderzoek kunnen al een vermoeden geven van het aanwezig zijn van een neuromusculaire aandoening.

Andere onderzoeken worden uitgevoerd om zekerheid te geven.

Bij bloedonderzoek worden enkele buisjes bloed afgenomen. De belangrijkste bevinding is de waarde van het enzym creatinekinase (CK) in het bloed. CK is een afvalstof van de spieren. Een verhoogde hoeveelheid is een indicatie voor bijvoorbeeld bekkengordeldystrofie. Maar omdat deze aandoening niet bij iedereen tot een verhoging van de CK-waarde leidt, kan er bij een normale waarde toch sprake zijn van bekkengordeldystrofie. Aan de hand van elektromyografisch onderzoek (EMG) wordt bepaald of de oorzaak van de klachten in de spieren of in de zenuwen ligt. Kleine naaldjes die in de spieren gebracht worden, meten de geleidingssnelheid van de zenuwen en de elektrische activiteit in de spier. Hoe meer spiervezels aangedaan zijn, hoe lager de spieractiviteit. Meestal kan ook dit onderzoek niet aangeven om welke spierziekte het gaat; wel kan het een zenuwaandoening uitsluiten. Een EMG is meestal niet echt aangenaam, maar ook niet te pijnlijk.

Een Computer Tomografiescan (CT-scan) en een Magnetic Resonance Imaging scan (MRI-scan) kunnen dwarsdoorsneden van het lichaam laten zien, zodat een beeld gevormd kan worden van de verschillende weefsels waaruit het lichaam is opgebouwd. De vorm en de grootte van het spierweefsel zijn eveneens te zien. Dit geeft aan welke spieren al dan niet verzwakt zijn. Deze scans kunnen aangeven wat de beste locatie is voor een spierbiopsie.

Een biopt wordt genomen om afwijkingen in bouw en structuur van de spiercellen te kunnen onderzoeken. Vaak geeft een spierbiopt de meeste garantie om een precieze diagnose te kunnen stellen. Daarnaast kan met speciale technieken bekeken worden of bepaalde eiwitten in onvoldoende hoeveelheden aanwezig of afwezig zijn. Het ontbreken van een eiwit geeft aan om welk type bekkengordeldystrofie het gaat. Dit onderzoeken is echter niet eenvoudig en vaak duurt het enkele maanden vooraleer de uitslag bekend is.

Ook het DNA-onderzoek kan uitsluitsel bieden, soms eveneens over het type bekkengordeldystrofie. Toch bestaan er nog vele types waarvan niet geweten is welk gen verantwoordelijk is voor het ontstaan ervan. Is het type wel te bepalen, dan kan het mogelijk zijn om een erfelijkheidsonderzoek of een prenataal onderzoek te laten uitvoeren. Centra voor Menselijke Erfelijkheid kunnen hier meer informatie over verstrekken.

De verschillende types LGMD ondergingen gedurende de laatste paar jaren verschillende naamsveranderingen. Ze staan in de onderstaande tabel.

De LGMD’s zijn onderverdeeld in twee hoofdgroepen, afhankelijk van de manier waarop zij worden doorgegeven in families. Op deze basis zijn ze gegroepeerd in autosomaal recessieve types (of type 2 LGMD) en de veel zeldzamere groep van autosomaal dominante types (of type 1 LGMD). Zij kunnen nu verder onderverdeeld worden op basis van het gen met een mutatie of de spierproteïne deficiëntie, die ons precies kan vertellen waar het probleem zich voordoet.

Namen

Erfelijkheid

Betrokken proteïne

Klinische kenmerken

CK niveau

Beschikbare genetische testen

LGMD2A

calpainopathie

Calpain-3 deficiëntie

AR

Calpain 3

- Een veel voorkomende vorm van LGMD wereldwijd.

- Begin van spiersymptomen: 8 tot 15 jaar (mogelijk eerder of later).

- Zwakte en verlies van heup-, dij- en schouderspieren.

- Meestal niet zeer snel progressief.

- Gezamenlijke contracturen kunnen aanwezig zijn.

- Hart- en ademhalingsproblemen zijn geen algemeen voorkomend kenmerk.

Verhoogd

Ja

LGMD2B

dysferlinopathie

Dysferline deficiëntie

Miyoshi myopathie

AR

Dysferline

- Begin van spiersymptomen: 20 jaar (mogelijk vroeger of later).

- Dezelfde mensen met een typische heup- en schouder spierzwakte (LGMD2B); andere mensen met moeite om op tenen te staan en handzwakte (Miyoshi myopathie of distale myopathie).

- Meestal trage progressie.

- Spierpijn en zwelling in kuiten kan voorkomen.

- Hart- en ademhalingsproblemen zijn geen algemeen voorkomend kenmerk.

Aanzienlijk verhoogd

Ja

LGMD2C, 2D, 2E, 2F

sarco-glycanopathiën

Sarcoglycan deficiëntie

AR

Een van de sarcoglycan proteïnen

(alfa, beta, gamma en delta)

- Begin van spiersymptomen: meestal in de kindertijd.

- Zwakte en verlies van heup-, dij- en schouderspieren.

- Snelheid van de progressie van de aandoening is uiterst variabel.

- Gezamenlijke contracturen kunnen aanwezig zijn.

- Hart- en ademhalingsspieren kunnen aangetast zijn.

Verhoogd

Ja

LGMD2G

AR

Telethonine

Tot nog toe alleen in Brazilië voorkomend.

Verhoogd

Nee

LGMD2H

AR

TRIM32

Tot nog toe alleen in Canada voorkomend.

Verhoogd

Nee

LGMD2I

AR

FKRP (Fukutine gerelateerde proteïne)

- Een veel voorkomende vorm van LGMD in het Verenigd Koninkrijk en in Noord-Europa.

- Begin van spiersymptomen: 10 tot 20 jaar (mogelijk eerder of later, met een variatie van 2 tot 40 jaar).

- Snelheid van de progressie van de aandoening is uiterst variabel.

- Gezamenlijke contracturen kunnen aanwezig zijn.

- Hart- en ademhalingsspieren kunnen aangetast zijn.

Verhoogd

Ja

LGMD2J

AR

Titine

- Tot nog toe alleen in Finland voorkomend.

- Mensen met 1 kopie van het gemuteerd gen hebben een distale spiermyopathie.

Verhoogd

Nee

LGMD2K

AR

POMT1

- Begin van spiersymptomen: in de kindertijd.

- Zwakte en verlies van heup-, dij- en schouderspieren.

- Ernstige problemen bij studies.

- Het gen is ook betrokken bij een ernstige congenitale spierdystrofie.

- Weinig gevallen beschreven.

Verhoogd

Ja

LGMD2L

AR

Anoctamine 5

- Begin van spiersymptomen: volwassenen.

- Zwakte en verlies van heup-, dij- en kuitspieren.

- Mogelijk overwegend distaal begin. Symptomen vaak asymmetrisch.

- Meestal trage progressie.

- Geen cardiale of respiratoire aantasting.

Verhoogd

Ja

LGMD2M

AR

Fukutine

- Begin van spiersymptomen: in de kindertijd.

- Zwakte en verlies van heup-, dij- en schouderspieren.

- Het gen is ook betrokken bij een ernstige congenitale spierdystrofie.

- Weinig gevallen beschreven.

- Meer zwakte met virale infecties.

- Hart- en ademhalingsspieren kunnen aangetast zijn.

Verhoogd

Ja

LGMD2N

AR

POMT2

- Onlangs beschreven.

- Mutaties in dit gen zijn verantwoordelijk voor een breed spectrum van symptomen, variërend van ernstige spierzwakte en -verlies, moeilijkheden bij het studeren en oogproblemen bij de geboorte, tot een mildere vorm van LGMD.

Verhoogd

Ja

LGMD2O

AR

POMGNT1

- Onlangs beschreven.

- Mutaties in dit gen zijn verantwoordelijk voor een breed spectrum van symptomen, variërend van ernstige spierzwakte en -verlies, moeilijkheden bij het studeren en oogproblemen bij de geboorte, tot een mildere vorm van LGMD.

Verhoogd

Ja

LGMD2Q

AR

Plectine

- Tot nog toe slechts enkele gevallen beschreven.

- Begin: vroege kinderjaren.

- Spierzwakte en atrofie.

Verhoogd

Ja

LGMD1A

AD

Myotiline

- Tot nu toe weinig families beschreven.

- Mutaties in dit gen veroorzaken ook een andere autosomaal dominante spierziekte, genaamd Myofibrillaire myopathie.

- Begin van spiersymptomen: volwassenen.

- Sommige aangetaste personen kunnen een bepaald nasaal praatpatroon hebben (dysartria).

- Hart- en ademhalingsspieren kunnen aangetast zijn.

Normaal of licht verhoogd

Ja

LGMD1B

AD

Lamine A/C

- Mutaties in dit gen veroorzaken ook AD en AR Emery-Dreifuss spierdystrofie, een congenitale spierdystrofie, een geïsoleerde cardiomyopathie, een perifere neuropathie en andere zeldzame aandoeningen met geen belangrijke spieraantasting.

- Begin van spiersymptomen: 5 tot 20 jaar.

- Meestal trage progressie.

- Hartaandoening is frequent en kan soms de enige manifestatie zijn van de spierziekte.

- Ademhalingsproblemen zijn niet gebruikelijk.

Normaal of licht verhoogd

Ja

LGMD1C

AD

Caveoline 3

- Begin van spiersymptomen: van de kindertijd tot volwassenen.

- Mensen kunnen zwakte en verlies hebben van heup-, dij- en schouderspieren, een distale spierzwakte en ‘kabbelende spierziekte’.

- Krampen en spierpijn na oefeningen zijn gebruikelijk.

- Meestal trage progressie.

- Hart- en ademhalingsspieren zijn gewoonlijk niet aangetast bij deze aandoening.

Licht verhoogd

Ja

LGMD1D

AD

DNAJB6

- Tot nu toe zijn slechts enkele gevallen beschreven.

- Start van spiersymptomen: volwassenheid.

- Mensen kunnen proximale zwakte in de onderste ledematen hebben en later ook in schouderspieren. Mogelijk prevalent distaal fenotype bij het begin.

- Geen hart- of ademhalingsaandoening.

Normaal of licht verhoogd

Ja

LGMD1E, 1F, 1G en 1H

AD

Niet gekend

- Zeer zeldzaam gerapporteerd tot nu toe.

Normaal of licht verhoogd

Nee

 

Overervingspatroon

Bekkengordeldystrofie is een erfelijke aandoening die zowel autosomaal recessief als autosomaal dominant overgeërfd wordt.

In zeldzame gevallen kan bekkengordeldystrofie ook ontstaan wanneer beide ouders gezond zijn (ze zijn ook geen drager). De oorzaak is dan te vinden in een verandering in het genetisch materiaal van de persoon in kwestie. Deze persoon kan dan wel de aandoening doorgeven aan het nageslacht.

Is één van beide ouders aangedaan, dan heeft ieder kind een kans van 50% om de ziekte te hebben (autosomaal dominant). Wordt de aandoening autosomaal recessief overgeërfd, dan krijgt een kind de aandoening enkel wanneer beide ouders drager zijn. De ouders hebben dan zelf geen verschijnselen, maar ze kunnen de aandoening wel overdragen.

Ieder kind heeft een kans van 25% op de aandoening, 50% kans om gezond en drager te worden en 25% kans om gezond en geen drager te worden.

Bij de groep die autosomaal recessief overgeërfd wordt, blijkt er een sterke variatie te zijn inzake de leeftijd waarop de eerste verschijnselen optreden en de verdeling en toename van de spierzwakte. 75% tot 90% van bekkengordeldystrofie wordt op deze manier overgeërfd.

Meer informatie vindt u in het luik ‘Erfelijkheid’.

Zwangerschap

Tijdens de zwangerschap kan de conditie van vrouwen met bekkengordeldystrofie verslechteren. Herstel van de conditie na de zwangerschap treedt niet altijd op. Het is raadzaam van tevoren met de gynaecoloog te overleggen over de bevalling als dat via de gebruikelijke weg niet mogelijk of minder gewenst lijkt.

Het erfelijkheidsrisico is mogelijk ook een factor bij de beslissing om al dan niet zwanger te worden. Meer informatie vindt u in het luik ‘Erfelijkheid’.

Behandeling

Het is nog steeds niet mogelijk de spieren weer goed te laten functioneren. Er zijn geen medicijnen, operaties of behandelingen die de oorzaak aanpakken of de klachten helemaal wegnemen.

Wel kan er geleerd worden hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening. De behandeling is er dan ook op gericht de klachten te verlichten en de gevolgen van de aandoening te beperken.

Vaak is het door de spierzwakte lastig om voldoende te blijven bewegen. Beweging is echter nodig om de gewrichten zo soepel mogelijk en de spieren zo sterk mogelijk te houden. Het is dus heel belangrijk een balans te vinden tussen te licht en te zwaar trainen.

Personen met bekkengordeldystrofie kunnen gebaat zijn bij advisering en begeleiding door een revalidatiearts en verschillende andere behandelaars, zoals een kinesist. Door kinesitherapie kan een grotere beweeglijkheid in de gewrichten bekomen worden en contracturen kunnen tegengegaan worden. Vanzelfsprekend dient een behandeling gericht te zijn op de persoon zelf. Sommige oefeningen kunnen immers meer kwaad dan goed doen.

Een regelmatige controle door de cardioloog is aan te raden. Verder is een regelmatige controle van de ademhalingsfunctie aan te bevelen. Nachtelijke beademing kan een oplossing bieden wanneer er veel klachten zijn ten gevolge van de zwakte van de ademhalingspieren.

Hulpmiddelen, zoals een stok of een grijper met een lange arm kunnen het dagelijkse leven vereenvoudigen. Wanneer zwakte in de bekkengordel- en de bovenbeenspieren te sterk wordt, kan een elektrische rolstoel of scooter handig zijn. Op die manier kan de zelfstandigheid terug een heel stuk groter worden. Vaak wordt zo ook de vermoeidheid minder. U kunt zich laten begeleiden door een neuromusculair referentiecentrum (NMRC). Een NMRC garandeert personen met een neuromusculaire aandoening immers kwaliteit in de zorg op het vlak van diagnose, behandeling en begeleiding, en dit door een team van deskundigen uit alle vereiste disciplines. Het gaat om een zorgprogramma voor het leven.

Wetenschappelijk onderzoek

De laatste jaren is er een enorm grote vooruitgang geboekt. Voor ongeveer de helft van de nu bekende typen is DNA-onderzoek mogelijk.

Inmiddels is van tenminste negentien genen – zeven zijn autosomaal dominant en twaalf autosomaal recessief – vastgesteld dat defecten in deze genen kunnen leiden tot bekkengordeldystrofie. De meeste van deze genen zorgen voor de productie van specifieke eiwitten in de spiercelwand, die de spiercel beschermen tegen beschadiging tijdens spieractiviteit. Functioneert de spiercelwand niet goed, dan kan het zijn dat enkele van deze eiwitten niet of in onvoldoende mate aanwezig zijn. Hierdoor kan de spiercel beschadigd raken, wat achteruitgang in spierkracht tot gevolg heeft.

Gentherapie wordt dan ook getest als mogelijke behandelingswijze. Hierbij worden de genen van een virus verwijderd en vervangen door gezonde menselijke genen. Daarna worden ze geïnjecteerd in het lichaam van een persoon met bekkengordeldystrofie. De buitenste laag van het virus wordt gebruikt als drager om gezond genetisch materiaal aan cellen te leveren. Het virus zelf is niet meer besmettelijk. De meeste genen van het virus worden vervangen door menselijk DNA, ervoor zorgend dat het virus zich niet kan verspreiden en schade kan berokkenen.

Research en kennis evolueren heel snel. Waarschijnlijk kan hetgeen u nu net gelezen hebt ondertussen verder gepreciseerd worden. Een kant-en-klare behandeling of genezing is nog niet voor morgen. De wetenschap blijft echter verder zoeken naar mogelijke behandelingswijzen.

Erfelijkheid bij bekkengordeldystrofie

De oorzaak van erfelijke aandoeningen is te vinden in de bouwstenen van het menselijk lichaam, het DNA, en meer bepaald in de genen, kleine stukjes DNA waarin het ‘recept’ voor een eiwit opgeslagen ligt. Bij bekkengordeldystrofie is één van de vele genen defect waardoor een bepaald eiwit niet goed wordt aangemaakt. Bij ieder type LGMD ligt dat defect op een ander gen en wordt dus ook een ander eiwit niet of onvoldoende aangemaakt.

Genen zijn dus dragers van erfelijke informatie. Ze liggen in een vaste volgorde op de chromosomen, die de verpakking vormen van het erfelijk materiaal.

Zoals je op de tekening kan zien, bestaan er 23 paar chromosomen, gevormd door één chromosoom van moeders kant en één van vaders kant. De paren 1 tot 22 bestaan elk uit twee chromosomen die min of meer dezelfde erfelijke informatie bevatten. Deze paren worden autosomen genoemd. Een voordeel van deze ‘dubbele’ informatie bij autosomen is dat sommige genetische fouten gecompenseerd kunnen worden. Ontbreekt bijvoorbeeld op het ene chromosoom het gen dat informatie verstrekt over de bouw van een spier, dan kan dat soms gecompenseerd worden met het gen op het andere chromosoom.

AFBEELDING - 23 paar chromosomen van de man

Chromosomenpaar 23 bevat eveneens twee chromosomen, maar de erfelijke informatie is verschillend. Dit paar bepaalt of iemand een jongen (XY) of een meisje (XX) wordt. De chromosomen in dit paar worden geslachtschromosomen genoemd.

Het erfelijkheidspatroon bepaalt hoe een bepaalde erfelijke neuromusculaire aandoening in de familie overerft. Er bestaan drie verschillende erfelijkheidspatronen:

  • autosomaal recessieve overerving,
  • autosomaal dominante overerving,
  • geslachtsgebonden recessieve overerving.

Wanneer op één van de chromosomen binnen een chromosomenpaar een erfelijke aanleg voor een bepaalde ziekte aanwezig is en die ziekte komt ook effectief tot uiting, dan spreken we van dominante (overheersende) erfelijkheid. Komt de aandoening niet tot uiting, dan gebruiken we de term recessieve (verborgen) erfelijkheid.

Bekkengordeldystrofie kan zowel autosomaal recessief als autosomaal dominant overgeërfd worden. De erfelijke aanleg ligt sowieso niet binnen het 23ste chromosomenpaar. Waar de aanleg dan wel ligt, is afhankelijk van het type bekkengordeldystrofie.

Autosomaal recessieve overerving

De meest voorkomende situatie bij autosomaal recessieve overerving is die waarbij beide ouders gezond zijn, maar wel allebei drager van de erfelijke aanleg op één van de twee chromosomen van een chromosomenpaar. Beide ouders hebben naast die erfelijke aanleg ook een normale erfelijke aanleg. Omdat de normale aanleg op één van de twee chromosomen van een paar voldoende is voor een normale werking vertonen ouders geen symptomen. De aandoening wordt alleen zichtbaar wanneer het defect op de genen van beide chromosomen aanwezig is.

Wanneer deze ouders (allebei drager) kinderen krijgen, dan heeft elk kind een kans van 1 op 4 om van beide ouders het chromosoom met de erfelijke aanleg te erven en ziek te worden. Elk kind heeft verder een kans van 1 op 2 om gezond, maar drager te zijn en een kans van 1 op 4 om gezond en geen drager te zijn. Het kan zijn dat 2 of 3 kinderen na elkaar deze ziekte krijgen of dat geen enkel kind van deze ouders de ziekte krijgt.

AFBEELDING - Schema autosomaal recessieve overerving wanneer beide ouders drager zijn.

Wanneer iemand met de aandoening kinderen krijgt met een gezonde partner (en deze persoon is geen drager), dan zullen in het algemeen alle kinderen gezond zijn, maar wel drager. Is de partner van een persoon met een aandoening gezond maar wel drager, dan is de kans dat de kinderen ziek worden 1 op 2.

De kans dat kinderen van iemand met een autosomaal recessieve aandoening ziek worden, is dus afhankelijk van het feit of de partner al dan niet drager is. De kans om drager te zijn, ligt bij elke aandoening anders en hangt ook af van familierelaties van de partner en zijn/haar afkomst.

Hieruit volgt dat het heel moeilijk is om algemene uitspraken te doen. De autosomaal recessieve vormen van de gordeldystrofieën zijn zeldzame aandoeningen. Een gezonde partner die geen familie is (geen neef-nichtsituatie) heeft maar weinig kans om toevallig drager te zijn. De kans op dragerschap is immers meestal kleiner dan 1%. In een aantal gevallen is onderzoek naar dragerschap mogelijk, maar niet altijd.

Autosomaal dominante overerving

Bij dominante erfelijkheid is het mogelijk dat een aandoening in meerdere generaties in een familie voorkomt. Zowel mannen als vrouwen worden in gelijke mate getroffen. Er moet echter ooit 1 persoon geweest zijn die de eerste met de ziekte was. Dit kan, omdat er bij de voortplanting een verandering kan optreden in de erfelijke aanleg. Kinderen van een ouder met de aandoening hebben 1 kans op 2 om de aandoening te krijgen. 

Het kan eveneens zijn dat de erfelijke aanleg met de ziekte wel reeds bij één van de ouders aanwezig was, maar niet tot uiting gekomen is of in zo een kleine mate dat je er alleen bij nauwkeurig onderzoek iets van kunt merken. Dominante aandoeningen staan immers bekend om hun grote variatie in ernst en symptomen. Er is sowieso DNA-onderzoek nodig om uit te maken wie er in een familie kans heeft op het overerven of doorgeven van de erfelijke aanleg met ziekte en wie niet.

Wanneer binnen een bepaald chromosomenpaar de erfelijke aanleg met de aandoening aanwezig is, dan komt bekkengordeldystrofie sowieso tot uiting (het defecte gen is dominant), ook als de normale erfelijke aanleg aanwezig is. Het defecte gen zorgt er immers voor dat een bepaald eiwit niet gemaakt kan worden. Personen met deze aandoening hebben meestal een partner die enkel de normale erfelijke aanleg heeft. Daardoor hebben hun kinderen nog 1 kans op 2 om de defecte erfelijke aanleg over te erven en bekkengordeldystrofie te hebben.

Bij alle autosomaal dominante aandoeningen gaat de overerving van generatie op generatie. In alle generaties komen dus mensen met de aandoening voor, tenzij er uiteraard niemand in een generatie nog in staat is voor nageslacht te zorgen, zodat de stamboom stopt.

AFBEELDING - Schema autosomaal dominante overerving wanneer één van de ouders bekkengordeldystrofie heeft.

Voorkomen

Bekkengordel Dystrofie (LGMD) omvat een groep spierdystrofieën die verminderde spierkracht veroorzaken in de schouder- en bekkengordelspieren. In de meeste gevallen wordt LGMD autosomaal recessief doorgegeven, maar soms ook dominant [18]. De aanvangsleeftijd en de progressie van het ziekteverloop kunnen snel zijn in bepaalde vormen, zodat er gangverlies optreedt rond 12-15 jaar. Indien de ademhalingsspieren aangetast zijn, is overlijden op jong volwassen leeftijd mogelijk. Bij de meeste patiënten zijn het hart en de bulbaire spieren niet aangetast. De prevalentie van deze groep aandoeningen varieert al naargelang de geografische oorsprong maar wordt geschat op 2,3 per 100.000 [3; 19-21] en in deze studie voor België wordt zij geraamd op 1,6 per 100.000 (Poisson 95%: 1,4 – 1,9 per 100.000) en voor Vlaanderen op 2,1 per 100.000 (Poisson 95%: 1,8 – 2,5 per 100.000). Grafiek 11 Geschatte prevalentie van LGMD per 100.000 inwoners (BNMDR, 2010-2012).

In 2012 is 4,5% van de patiënten (n=172) in het register van het BNMDR getroffen door LGMD. De mediaan van de leeftijd van deze patiënten is 44,0 jaar (BI 95%: 36,6 – 47,0 jaar). De leeftijd bij het optreden van de eerste symptomen (geregistreerd voor 21 patiënten) is 15 jaar en de diagnose is definitief voor 44,8% van de patiënten. De mediaan van de leeftijd bij het stellen van de definitieve diagnose (geregistreerd voor 77 patiënten) is 29,0 jaar. Voor 7 patiënten zijn de leeftijd bij het optreden van de eerste symptomen en de leeftijd bij het stellen van de definitieve diagnose geregistreerd; de mediaan van het verschil tussen beide leeftijden bedraagt 2,6 jaar (BI 95%: 1,2 – 15,4 jaar). Van de 145 patiënten (84,3% van de patiënten) van wie het stadium van de ziekte is geregistreerd, vertoont 53,8% ambulante symptomen, 42,7% is rolstoelafhankelijk en 1,4% bevindt zich in een levensverlengend stadium.

Bronnen

  • mailing met Wim Schaerlaecken, oktober-november 2007
  • mailing met prof.dr. Eric Legius, november 2007
  • mailing met dr. Soudon, november 2007
  • mailing met dr. Philip Van Damme, november 2007
  • Bushby K.M.D., Limb girdle muscular dystrophy, www.muscular-dystrophy.org, 2005
  • de Visser M. e.a., Neuromusculaire ziekten, Elsevier/Bunge, Maarssen, 1999
  • Gordon E., Pegoraro E. & Hoffman E.P., Limb girdle Muscular Dystrophy Overview, www.geneclinics. org, 2007
  • Lukassen H. (red), Handboek Spierziekten, Vereniging Spierziekten Nederland en Uitgeverij De Kern, Baarn, 2002
  • Schorrewegen S. (vert), Bekkengordeldystrofie, Nema vzw, Melle, 1999
  • Saghal V. & Reger S., Limb-Girdle Muscular Dystrophy, www.emedicine.com, 2006
  • Bekkengordeldystrofie, Nema vzw, uit: NM72 p.48, Melle, 2007
  • Bekkengordeldystrofie, Nema vzw, uit: NM78, NMA in de kijker, december 2007
  • Limb-girdle spierdystrofie – Diagnose en behandeling, Vereniging Spierziekten Nederland, Baarn, 2007
  • Facts about limb-girdle muscular dystrophies, Muscular Dystrophy Association, www.mdausa.org/
  • publications/fa-lgmd-forms.html, 2007
  • Limb-girdle muscular dystrophy syndromes, Neuromuscular, www.neuro.wustl.edu, 2007
  • Limb-Girdle muscular dystrophy, Muscular Dystrophy Canada, www.muscle.ca, 2001
  • Limb girdle spierdystrofie, Vereniging Spierziekten Nederland, Baarn, 2001
  • Limb-girdle-dystrofie http://www.kinderneurologie.eu/ziektebeelden/spier/limbgirdl.php
  • Voorkomen: www.bnmdr.be

Extra links

Medische verslagen
Medische publicaties - Bekkengordeldystrofie (LGMD)

Diagnosegroep Nema vzw - Bekkengordeldystrofie
Diagnosegroep verantwoordelijke:
Nancy Verwaest - Mail: bekkengordel@nema.be

Nema-praatgroep op Facebook
Heb jij ook een Facebookaccount? Surf, vind en volg ons dan via onze Facebookpagina Facebookpagina 'NEMA SPIERZIEKTEN'
Zo blijf je op de hoogte van het laatste nieuws, onze activiteiten, interessante links en kan je zelf oproepjes of interessante weetjes posten!

Lid worden van onze vereniging?
Bij Nema vzw zijn personen met om het even welke neuromusculaire aandoening welkom, maar ook ouders, familieleden, vrienden, professionelen of andere betrokkenen. 

Vanaf 2017 biedt Nema vzw daarom verschillende soorten van lidmaatschap aan die optimaal afgestemd zijn op de verschillende gezinssituaties en noden van onze leden.