Vernieuwing zorgbeleid: komt het VN-verdrag tot leven of blijft het dode letter?

Reeds in juli 2009 bekrachtigde België het “Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap” (hierna kortweg VN-conventie of verdrag genoemd). Het verdrag betekent in het internationale recht voor personen met een handicap een belangrijke hefboom voor een meer inclusieve samenleving. Het verdrag bevestigt namelijk de verschuiving in het denken rond handicap. Handicap wordt niet langer voornamelijk beschouwd als een medisch concept, eigen aan de persoon met een handicap, maar stelt dat er obstakels en vooroordelen in de samenleving zijn die personen met een handicap beletten om volwaardig en daadwerkelijk deel te nemen aan de maatschappij en op gelijke voet met anderen. Met andere woorden: het is de verantwoordelijkheid van de maatschappij om ervoor te zorgen dat het hebben van een (fysieke of mentale) “beperking” niet noodzakelijk leidt tot een “handicap”. Een handicap heb je immers pas als je beperking ervoor zorgt dat je gehinderd bent in je sociaal-maatschappelijk functioneren. Een goed aangepaste maatschappij kan ervoor zorgen dat je zelfs mét een beperking een volwaardig bestaan in onze samenleving kan leiden.

Dit VN-verdrag creëert geen of meer rechten voor personen met een handicap, maar verbijzondert en werkt algemeen geldende mensenrechten verder uit in de context van handicap. Het legt er de nadruk op dat personen met een beperking alle burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten moeten kunnen genieten die ook in de algemene mensenrechtenverdragen staan. Het zijn weliswaar rechten die dienen gerespecteerd te worden, maar tegelijk ook een na te streven ideaal. Een rode draad doorheen het hele verdrag is de nauwe betrokkenheid van personen met een handicap bij de bevordering, bescherming en opvolging van hun fundamentele rechten.

De plannen die Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen heeft om de sector van personen met een handicap te vernieuwen zouden dan ook nauw moeten aansluiten bij de doelstellingen waartoe België zich verbonden heeft door het ondertekenen van het verdrag, en de personen met een handicap (de “gebruikers”) zouden hierbij nauw betrokken moeten worden. Deze betrokkenheid speelt op het collectieve vlak (via beleidsparticipatie van verenigingen) maar zeker ook op het individuele vlak (via verhoogde inspraakkansen en rechtsbescherming).

In dit artikel peilen we in hoeverre de Vlaamse regering (Welzijn is een Vlaamse bevoegdheid) erin slaagt om de doelstellingen van het VN-verdrag om te zetten in de praktijk…


De VN-conventie nader bekeken

Het verdrag bestaat uit een preambule (inleiding) en vijftig artikels (een verwijzing naar de volledige tekst vind je onderaan dit artikel). De eerste 10 artikelen zijn transversale artikelen, die de grondbeginselen van het verdrag verwoorden. De volgende 20 werken deze beginselen verder uit. We lichten er enkele essentiële zaken uit.

 

Algemene artikelen

Artikel 3 beschrijft de grondbeginselen van het verdrag: respect voor de waardigheid, autonomie (zelfbeschikking), keuzevrijheid en onafhankelijkheid, participatie én opname in de maatschappij, aanvaarding dat personen met een handicap deel uitmaken van de menselijke diversiteit, gelijke kansen, toegankelijkheid, gelijkheid van man en vrouw en respect voor kinderen met een handicap.

In Artikel 4 staat verder ook dat een land dat het verdrag ondertekent zich ertoe verbindt “dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen”. Verder zegt dit artikel ook dat “alle relevante wetgevende, administratieve en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de rechten die in dit Verdrag erkend worden” moeten genomen worden. Kortom: de regering heeft er zich door de ondertekening toe verbonden om ervoor te zorgen dat de inhoud van het verdrag ook wordt nageleefd.


 

Redelijke aanpassingen

Omdat een handicap dikwijls het gevolg is van een onaangepaste omgeving, kunnen concrete aanpassingen in specifieke situaties nodig zijn om obstakels weg te werken zodat personen met een handicap ten volle kunnen deelnemen aan de maatschappij. Het VN-verdrag en discrimintatiewetgeving geven aan dat het ontbreken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap een discriminatie inhoudt, en strafbaar is.
Leveranciers van verschillende goederen en diensten (cultuur, onderwijs, horeca, gezondheidszorg, werkgevers, openbare diensten, …) zijn dan ook verplicht daar waar nodig “redelijke aanpassingen” te voorzien. De overheid dient hiervoor ook stimulerende maatregelen te voorzien. Een redelijke aanpassing is een individuele en concrete maatregel die de negatieve invloed van een onaangepaste omgeving op de deelname aan het maatschappelijke leven voor een persoon met een handicap zoveel als mogelijk neutraliseert. Het kan hierbij ook gaan om een oplossing voor een individueel probleem. Elke situatie moet met andere woorden afzonderlijk worden onderzocht om zo een oplossing te vinden voor de beperking waarmee een persoon met een handicap wordt geconfronteerd in het dagelijkse leven. Deze aanpassingen zijn verplicht, tenzij de maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die deze maatregelen moet treffen. 


Artikel 8 en 9 gaan over bewustwording, beeldvorming en toegankelijkheid. De overheid moet daarin voorop lopen. Aan de ene kant moet aan de maatschappij duidelijk gemaakt worden hoe mensen met een handicap bijdragen aan onze samenleving, en dat zij een integraal deel uitmaken van die samenleving. Aan de andere kant moeten de voorwaarden voor deelname aan de samenleving voor personen met een beperking worden verbeterd. Zo moet de regering de toegang garanderen tot gebouwen, vervoer, informatie en communicatie, scholen, werkplekken,…

 

Specifieke artikelen

Volgens artikel 18, 19 en 20 mogen mensen met een handicap zich verder vrij bewegen en zelf kiezen waar ze willen wonen. Er wordt letterlijk gesteld dat “personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrij hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefstructuur”. De regering is hierbij verplicht om alle nodige maatregelen en ondersteuning te voorzien opdat personen met een handicap in de maatschappij kunnen leven teneinde isolatie of uitsluiting te voorkomen. Daarbij wordt zelfs expliciet “persoonlijke assistentie” vermeld als mogelijke maatregel. Onafhankelijk en zelfstandig leven is dan ook één van de grondbeginselen van het verdrag. Dit werkt door in andere rechten, zoals deelnemen aan het politieke en culturele leven. Mensen met een handicap hoeven niet verplicht in speciale woonvoorzieningen te wonen. Ze moeten zich kunnen verplaatsen wanneer ze dat willen, tegen betaalbare kosten. Ieder maakt zélf de keuze wanneer en hoe. Artikel 21, 22 en 23 benoemen de vrijheid van meningsuiting, toegang tot informatie, privacy en recht op gezinsleven. De overheid dient informatie toegankelijk te maken voor mensen met een beperking, zonder extra kosten. Alle mensen met een beperking hebben het recht samen te wonen en te trouwen, een gezin te stichten en hun vruchtbaarheid te behouden. De overheid moet maatregelen nemen om discriminitie in deze materies uit te bannen. Voor kinderen is er de expliciete verwijzing naar het recht om in de familie op te groeien, of wanneer dit niet kan, in gezinsvervangend verband of een gemeenschapsgebaseerde opvangvorm.

Er volgen ook een aantal artikels die bepalen dat mensen met een beperking recht hebben op participatie en integratie in de maatschappij. De regering dient hiervoor aangepaste maatregelen te nemen. Personen met een beperking hebben recht op een goede gezondheidszorg, revalidatie en werk, maar ook onderwijs. Zo is men verplicht om passende maatregelen te treffen opdat een kind met een beperking de kans krijgt om inclusief onderwijs te volgen binnen het algemeen onderwijs. Hier is een zeer uitgebreid artikel 24 aan gewijd. Ook op werkvlak dient men te voorzien in maatregelen (voorkeursbeleid, aanmoedigingspremies,…) zodat iedereen die wenst te werken dat zoveel mogelijk kan. Zo moet men in scholen en op de werkplek voorzien in “redelijke aanpassingen”.

Als laatste volgen nog artikelen die het recht garanderen op een afdoende sociale bescherming en een goede levensstandaard voor mensen met een handicap en hun gezin, het recht op een politiek en openbaar leven, het recht op deelname aan het culturele leven, recreatie, vrije tijd en sport.

Artikelen 31 t/m 50 gaan tenslotte in op de procedures die de uitvoering van het Verdrag beheersen. Zo onderzoekt de overheid de positie van mensen met een handicap om haar beleid op het Verdrag af te stemmen. De verschillende ministeries stemmen hun uitvoering van het Verdrag op elkaar af. Verder richt elk land een onafhankelijke organisatie op voor de uitvoering van het Verdrag. Daarbij betrekt de overheid de bestaande patiënten- en belangenorganisaties. De Verenigde Naties zelf richten ook een Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap op, waaraan de deelnemende landen periodiek rapporteren (eerst twee jaar na ratificatie, daarna om de vier jaar). Dit Comité doet suggesties en aanbevelingen en brengt verslag uit aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De deelnemende landen overleggen geregeld over de uitvoering van het verdrag.

Art.33 § 2 van het verdrag bepaalt dat op nationaal vlak één of meerdere onafhankelijke mechanismen worden aangeduid om de uitvoering van het verdrag te bevorderen, te beschermen en op te volgen. In België heeft het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding (CGKR) deze opdracht gekregen. Hun opdracht houdt concreet in:

  • Bevorderen: personen met een handicap, hun organisaties, de overheden, private actoren en het brede publiek informeren, sensibiliseren en vormen over het bestaan en de bepalingen van het Verdrag en zijn protocol
  • Beschermen: juridisch advies en ondersteuning bieden aan (groepen van) personen met een handicap wiens rechten, voortvloeiend uit het VN-Verdrag, mogelijk zijn geschonden.
  • Opvolgen: ervoor zorgen dat de Belgische wet- en regelgeving worden geharmoniseerd met het Verdrag en erop toezien dat de bepalingen van het Verdrag in de praktijk worden gerespecteerd. Dit doet het Centrum door het geven van beleidsadvies en het schrijven van een parallel rapport met kritische commentaar op het statelijk rapport.


Belangrijk is dat personen met een handicap (en de organisaties die hen vertegenwoordigen) worden betrokken bij en deelnemen aan de opvolging.

 

Facultatief Protocol

Het verdrag kent ook een Facultatief Protocol, dat onder meer het individuele klachtenrecht bij het VN-Comité regelt. België heeft ook dit protocol ondertekend. Het voorziet onder andere in een klachtenrecht wanneer een Staat die het verdrag ondertekende dit verdrag niet respecteert. In dat geval kunnen personen met een beperking ("particulieren") of groepen van personen die van oordeel zijn dat ze daar het slachtoffer van zijn, een verzoek tot onderzoek richten tot het Comité (weliswaar na uitputting van alle nationale beroepsmiddelen).

 

En in de praktijk? 

Zoals reeds in een eerder artikel (zie NM94) aangehaald gaf Vlaams minister van Welzijn Vandeurzen met zijn “perspectiefplan 2020” aan waar hij tegen 2020 wil staan met het beleid inzake personen met een beperking. Het is uiteraard logisch dat hierbij de doelstellingen van de VN-conventie centraal staan, aangezien België deze doelstellingen mee onderschreef. In zijn perspectiefplan staat echter dat er tegen 2020 “zorggarantie moet zijn voor personen met de zwaarste ondersteuningsnood”. De minister geeft hierbij zelfs extra aan dat dit nog geen “recht op zorg” betekent!

Dat staat natuurlijk haaks op de doelstellingen van de VN-conventie die stelt dat elke persoon met een beperking voldoende ondersteuning moet krijgen om een inclusief leven te leiden in de maatschappij… Niet alle antwoorden op vragen moeten hierbij overigens komen van handicapspecifieke ondersteuning. De sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek zélf moeten op voet van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden aan hun behoeften (art.19c). Als we de VN-conventie als leidraad nemen, gaat het weldegelijk om een récht op ondersteuning. Hierbij moet voor elke persoon met een beperking (na een correcte inschaling) de ondersteuningsnood dus kunnen vertaald worden in een budget. Eens de ondersteuningsnood bevestigd is en een budget toegekend, zou er ook daadwerkelijk snel ondersteuning moeten komen. Momenteel zijn er echter heel wat mensen die daadwerkelijk “recht hebben” op ondersteuning (lees: waarvan de overheid reeds erkende dat ze ondersteuning nodig hebben en hoeveel), maar die nu al jaren op een wachtlijst staan. Op dit moment worden letterlijk enkel de “schrijnendste van de schrijnende gevallen” op die wachtlijst ondersteund…of hoever je van de doelstellingen van het verdrag kan zitten!

Vorig jaar schreef Tomas Hammarberg, oud-mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, een issue paper over de lezing van artikel 19. In zijn beleidsaanbeveling noemt hij inderdaad de noodzaak aan een afdwingbaar recht op ondersteuning (zie link onderaan dit artikel).

Verder stelt het VN-comité in zijn commentaren op Spanje en Hongarije ook de nood vast om steeds middelen te blijven pompen in het verder realiseren van artikel 19. Het Vlaamse beleid om “prioriteit” niet meer te baseren op zorgzwaarte, maar eerder op de “hoogdringendheid van de zorg” met name wanneer de mantelzorgers zelf gezondheidsklachten krijgen of helemaal wegvallen, is door het Europees Comité voor Sociale Rechten expliciet aangeklaagd. Afwachten wat de concrete aanbevelingen hierrond zullen zijn in oktober (zie ook volgende artikel).

Opvallend trouwens dat men in Vlaanderen haast steeds spreekt over “zorg”. Voor ons en vele andere organisaties een bewijs dat men nog steeds doordrongen is van de achterhaalde visie dat een “gehandicapte” iemand is die “verzorgd” dient te worden. De medische benadering dus. Veel liever spreken we vandaag over “ondersteuning”. Uiteraard kan daar ook “medische zorg” bijhoren, maar een persoon met een beperking heeft meer nodig dan enkel “verzorging” om volwaardig deel te kunnen nemen aan de maatschappij! Die verouderde benadering kent vooral zijn oorsprong in het feit dat de “gehandicaptenzorg” fel geïnstitutionaliseerd was en helaas nog steeds voor een groot deel is. Daarmee bedoelen we onder andere letterlijk dat veel personen met een beperking nog steeds in “instituten” worden opgevangen. Die werden vroeger “instellingen” en nu “voorzieningen” genoemd, maar het basisidee blijft bestaan: het collectief organiseren van de opvang van personen met een beperking. Dat is immers gemakkelijker te regelen, en “een persoon met een handicap kan toch niet zelfstandig leven”. Hierin begint gelukkig stilaan verandering te komen. Zo was één van de beleidsaanbevelingen na het maatschappelijk debat van juni 2012 (zie NM94) letterlijk: “Om een inclusieve samenleving te realiseren, verlaten we het traditionele instellingenconcept voor personen met een handicap. In overeenstemming met het VN-verdrag art.19 en 23, zijn de individuele ondersteuningsvragen de referentie voor het aanbod van voorzieningen”. Maar dat is voor ons nog te zwak uitgedrukt: wie zegt er immers dat wat “de voorzieningen” aanbieden het antwoord blijft op “ondersteuningsvragen”? Uiteraard zullen er steeds mensen blijven die er bewust voor kiezen om in een voorziening te wonen en alle ondersteuning daar in te kopen. Maar bij echte keuzevrijheid valt te verwachten dat heel wat meer mensen met een beperking gebruik zullen maken van de mogelijkheid om met een persoonlijk assistentiebudget zelfstandig of bij familie te blijven wonen. In dat opzicht zijn zelfs kleine woonvormen waarbij 3 tot 4 personen met een beperking samenleven uit den boze als de bewoners daar niet bewust zelf voor hebben gekozen. Elk persoon heeft immers het recht om te kiezen waar hij/zij leeft stelt het VN-verdrag! Volgens ons en verschillende andere organisaties moet er dan ook dringend werk gemaakt worden van de zgn. “de-institutionalisering” van het beleid inzake personen met een handicap. Enkel op die manier gaan we van een “aanbodgestuurde” naar een “vraaggestuurde” ondersteuning, waarbij de persoon met een beperking zelf bepaalt welk soort ondersteuning het beste bij zijn/haar noden past.

 

En wat met het recht op inspraak?

Zoals je reeds eerder kon lezen in NM, zetelen er vrijwilligers van Nema als “gebruikersvertegenwoordiger” in een aantal beleidsorganen. In die hoedanigheid hadden we reeds diverse gesprekken met mensen van het VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap), met de veranderingsmanager,… In mei kwam minister Vandeurzen zelfs persoonlijk naar de Beleidsgroep Zorgregie, een maandelijkse vergadering waar gebruikersorganisaties standpunten uitwerken en beleidsadviezen formulieren rond zorgregie. Hoewel men dus wel bereid is om met ons rond te tafel te zitten en naar onze adviezen te luisteren, wordt met die adviezen in de praktijk… haast geen rekening gehouden.

Keer op keer stuurt het VAPH en/of de minister omzendbrieven, persberichten en nota’s rond over genomen beslissingen waarbij de belangenverenigingen (die zgn. inspraak hebben in het beleid) simpelweg geen idee hadden dat die mededeling er zou komen, laat staan dat er inspraak is geweest over de in die brieven beschreven maatregelen. De voorstellen en adviezen die via de daarvoor in het leven geroepen overlegorganen worden geformuleerd door de gebruikersorganisaties worden vaker wel dan niet door het VAPH en de minister gewoonweg naast zich neergelegd. De minister komt er in elk debat op terug dat er toch al vooruitgang is geboekt, maar wij en vele andere organisaties beschouwen de kleine succesjes die we hier en daar konden optekenen enkel als “zoethoudertjes”. In het beleid ten gronde heeft de persoon met een handicap geen enkele inspraak. Hoe verklaar je anders dat iedereen letterlijk uit de lucht kwam vallen toen de minister in mei 2013 met veel tromgeroffel zijn “basisondersteuningsbudget” aankondigde waarbij elk persoon met een erkende handicap gegarandeerd een kleine ondersteuning (geen bedrag genoemd!) zal krijgen. U leest het goed: dit hele concept is op geen énkele wijze overlegd met de verenigingen van personen met een handicap. Hoewel wij een uitbreiding van de middelen sowieso positief vinden, hebben wij en vele anderen dan ook grote vraagtekens bij deze maatregel. In het najaar zal het decreet verder vorm krijgen, en uiteraard zullen wij dit nauwgezet volgen. Wij maken ons echter geen illusies: de personen met een handicap zelf zullen weinig of niets te zeggen hebben over de concrete uitwerking. Hoe dan ook zal deze relatief kleine uitbreiding lang niet alle personen die ondersteuning nodig hebben kunnen helpen, maar daarover meer in een volgend artikel.

 

Kan ik mijn rechten afdwingen?

Aangezien verdragen afspraken zijn tussen Staten, kunnen derden (burgers) er in principe niet zonder meer rechten uit putten zoals dat wel kan uit de grondwet van een land.

Verder dient een onderscheid gemaakt te worden tussen sociale, economische en culturele rechten en burgerlijke en politieke rechten. Voor de eerste reeks rechten geldt een zogenaamde 'progressieve realisatie in functie van de beschikbare economische hulpbronnen'. Burgerlijke rechten en politieke rechten zijn dan weer wel afdwingbaar indien de overheid niets doet om die te waarborgen. Zo valt het recht niet gediscrimineerd te worden (en dus ook het recht op redelijke aanpassingen) onder deze laatste. Dit recht is dus wel afdwingbaar, maar het werd door België en Vlaanderen reeds gewaarborgd vóór de ratificatie van het VN-verdrag. Met andere  woorden, daar hadden we in België geen VN-verdrag voor nodig.

Aangezien het VN-verdrag voornamelijk handelt over een reeks sociale, economische en culturele rechten, geldt hiervoor in België en Vlaanderen de progressieve realisatie.  Bij progressieve realisatie krijgen de Staten eigen ruimte om het verdrag door te voeren naar gelang van hun capaciteiten en inzichten. Er moet een groeipad zijn aan middelen om de gegarandeerde rechten te realiseren, maar nergens wordt vastgelegd hoe snel die invoering moet gebeuren. Als gevolg daarvan kan men niet naar de rechter stappen wanneer men meent dat een bepaald artikel van het VN-Verdrag niet meteen of volledig wordt toegepast. Hierbij is evenwel ook sprake van een standstill-verplichting: het bereikte niveau van een recht mag nooit worden verlaagd. Belangrijk bij progresieve realisatie is ook de planmatige en getimede aanpak. Een land mag niet talmen met het ontwikkelen van een visie op bijvoorbeeld de-institionalisering. In haar commentaar op Hongarije is het Comité duidelijk geweest dat de-institutionalisering binnen de door Hongarije vooropgestelde termijn van 30 jaar onredelijk is. Opnames binnen instituties moeten onmiddellijk stoppen. Er staat echter nergens een sluitende definitie van wat een institutie is, het houdt verband met het individueel aanvoelen van ruimte en controle door de persoon met een handicap binnen de geboden ondersteuning.

Verder kan men, gezien België ook het optioneel protocol ondertekende, een klacht neerleggen wanneer men meent dat België tekort schiet in de inspanningen die het onderneemt om het VN-Verdrag toe te passen. Hoe dan ook, bij het toewijzen van ondersteuning mag de regelgeving niet discriminerend zijn, in de zin dat mensen in gelijkaardige situaties ook gelijk dienen behandeld te worden.

Maar het recht op ondersteuning is dus helaas niet afdwingbaar omdat dit valt onder de economische, sociale en culturele rechten. Ook het feit dat je al jaren op een wachtlijst staat verandert hier niets aan. Vlaanderen mag hier immers verwijzen naar de economische toestand van het land. Vraag is echter of een rijk land als België zo'n wachtlijsten wel kan verantwoorden. Of met andere woorden: recht op ondersteuning komt in Vlaanderen neer op een kwestie van politieke prioriteiten en de maatschappelijke wil om dit probleem aan te pakken. In dat opzicht is ook een mentaliteitswijziging in de samenleving dringend nodig (zie ook volgend artikel).

Zoals je merkt is het dus niet altijd mogelijk om via een rechtszaak je rechten af te dwingen. Op de Open-GRIP-dag van 2011 riep Jozef De Witte van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) personen met een handicap niettemin op om hun rechten op te eisen in gevallen van discriminatie. Het recht om niet gediscrimineerd te worden op basis van handicap is, zoals gezegd, immers een burgerlijk recht en dus wél afdwingbaar. De Witte stipte toen ook aan dat men niet alleen een rechtszaak kan aangaan om te winnen, maar ook om te verliezen – en op die manier publieke verontwaardiging op te roepen over wetten die niet in orde zijn.

.Omdat we sterker staan als we klachten bundelen i.p.v. individueel te werken, roepen wij op om ons bij gevallen van discriminatie te contacteren. Het CGKR zal dan samen de juridische mogelijkheden bekijken en eventueel een rechtszaak aanspannen. Let wel, niet elke klacht zal juridisch voldoende zwaar wegen om naar de rechter te stappen, wat niet wegneemt dat ze wel terecht kan zijn.

 

Conclusie

Hoewel de in het VN-verdrag beschreven rechten niet zonder meer afdwingbaar zijn, kunnen ze wel nuttig blijken als hefboom om de zaken in beweging te kriigen. De rol die het CGKR hierin toebedeeld kreeg is niet te onderschatten: zij moeten de maatschappij anders leren kijken naar personen met een beperking, zorgen dat België de nodige maatregelen neemt om het VN-verdrag te respecteren én mensen met een beperking wiens rechten geschonden worden juridisch ondersteunen. Gezien het huidige gebrek aan inspraak in het beleid, zal dit waarschijnlijk ook de enige manier blijken om onze rechten op te eisen: zorgen dat de publieke opinie onze benarde situatie beter begrijpt, en de schending van onze rechten via juridische weg aankaarten. In dat opzicht is de recente veroordeling door het Europees Comité voor Sociale Rechten – hoewel deze vooral een moreel karakter heeft – een mooie stap. Daarover meer in onderstaand artikel.

Bronnen en meer informatie:

Met dank aan het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding voor hun kritische lezing en aanvullingen bij dit artikel.

Patrik Claes

Andere artikels: