Verslag congres Spierziekten Nederland - SMA Symposium

Auteur Kathleen Van Bel - Verschenen in NM106, pag.64-67

SMA Symposium

Op zaterdag 12/09 ging ik al vroeg op pad om voor de eerste maal aan een spierziektecongres van VSN te mogen deelnemen. Spannend maar gelukkig zou ik bij mijn eerste stapjes begeleid worden door enkele vaste waarden binnen Nema zoals Emma Cambré.

Aangekomen na een interessante rit, die blijkbaar net niet lang genoeg duurde door de aangename gesprekken in de auto …..en ik er dus nog even een aantal extra kilometertjes aan breide (lees: door het aangenaam gezelschap een afrit gemist)!

Eindelijk aangekomen in het natte Veldhoven werden we begeleid naar de grote zaal en al snel kwamen we andere gekende Nema-leden en diagnoseverantwoordelijken tegen: Dirk Cornil, Kathleen Hermans met haar lieve mama Maggy en haar grootste vriend.

Na een aangenaam gesprek en een koffietje om terug op onze positieven te komen, werden alle gasten begeleid naar het specifieke “diagnose-congres” van hun interesse. Voor mij en Kathleen Hermans was dat dus natuurlijk het SMA-symposium, toch wel exotisch die Nederlandse vorsers. Hmmm.

Het eerste thema dat aan bod kwam en waar we hier in België mijns inziens nog niet mee op de kar zijn gesprongen is het Exoskelet, door dr. J.F. de Groot.

Het exoskelet is ons stilaan bekend aan het worden uit de media, het exoskelet dat Marc Herremans en To-Walk-Again-mensen met een dwarslaesie terug beperkt mobiel laat functioneren, ter bevordering van bloedsomloop en van hart- en longfunctie en ter algemene bevordering van fysieke conditie. Alleen hebben wij, ouders van en patiënten met een spierziekte weleens gedacht ... hmm fijn, maar ja ... je hebt wel spierspanning nodig ...! Doeme, toch!

Daar het Exoskelet zijn oorsprong en ontwikkeling vindt uit militair oogpunt, laten we eerlijk zijn …. puur gepikt uit ROBOCOP, zijn deze toepassingen nogal robuust en zwaar uitgevallen ... geen optie dus voor onze patiënten.

Nu heeft men na uitgebreide testing van patiënten met Duchenne en SMA ontdekt dat deze twee patiëntengroepen een gelijkaardig bewegingspatroon, spieractivatiepatroon vertonen bij het in gang zetten van een beweging.

Deze beide patiëntengroepen komen bij de start bij gelijk welk bewegingspatroon tot de vaststelling dat zij voor een actie, hoe groot of hoe klein ook, al hun spiergroepen aanspreken.

Dit verklaart op termijn ook waarom Duchenne-patiënten en SMA-patiënten ten op zichtte van andere spierzieken een grotere en snellere vermoeidheid vertonen.

Na vele testen en onderzoek is men nu begonnen aan de ontwikkeling van een prototype exoskelet voor de arm. Dit is een heel grote en dure uitdaging. De doelstelling is om een ultralicht prototype te ontwikkelen met Nano-intelligent materiaal waarbij ultralichte aanstuurbare gewrichtsmotortjes worden ontwikkeld die ter hoogte van elk functioneel gewricht zullen worden aangebracht met als doel de natuurlijke bewegingen in gang te zetten en te ondersteunen. 

Indien dit zou verwezenlijkt worden, beoogt dit een betere sociale en functionele integratie met bijkomend voordeel dat de algemene conditie behouden blijft of positief kan worden beïnvloed. In ieder geval zijn hier grote financiële bedragen en inspanningen bij nodig.

Wat echter door de vorsers werd meegedeeld is dat bestaande contracturen bij patiënten niet ongedaan kunnen worden gemaakt en dat dus voor iedereen revalidatie-kine op de eerste plaats moet komen. Voor nieuwe en nog redelijk soepele patiënten is therapie en doorzetten belangrijk.

Wat naast het financieel aspect natuurlijk heel belangrijk is om deze studie mogelijk te maken, is de medewerking van patiënten. Om voldoende data te verzamelen en te vergelijken is het belangrijk om voldoende SMA-patiënten te bereiken en te laten registreren voor het bewegingslab. Enerzijds om voldoende data op te slaan met betrekking tot het huidige bewegingsplan van patiënten, maar tevens om voldoende patiënten en gegevens te kunnen genereren bij de testing van Symbionics prototype.

Ook als Belgische patiënt kan u contact nemen met het UMC Utrecht voor registratie in de databank.

SMA onderzoek Nederland, Stand van zaken (Ludo van der pol)

Sinds de ontdekking van het SMA-gen in 1995 van erfelijk proximaal SMA, is er eigenlijk nog niet veel bewogen op de weg naar de ontwikkeling van een medicijn.

Sinds een 5-tal jaar is er echter een sterke evolutie aan de gang in de interesse naar, en de zo noodzakelijke ontwikkeling van, een medicijn voor SMA. 

SMA is een erfelijke spierziekte waarbij uiteindelijk alle spieren worden aangetast. Baby’s die bij hun geboorte reeds symptomen van SMA hebben(Type I), worden meestal niet ouder dan twee jaar.

Momenteel wordt een mogelijk medicijn getest.

Toch nog even schetsen……

SMA (spinale spieratrofie) is een erfelijke spierziekte. Van alle baby’s die jaarlijks in Nederland worden geboren, hebben er ongeveer twintig SMA. De spieren worden steeds zwakker tot mensen uiteindelijk verlamd raken. Ook worden de spieren langzaam dunner. Hoe jonger iemand is wanneer de eerste symptomen verschijnen, hoe ernstiger de ziekte is. SMA kent vier varianten, waarvan type 1 de meest ernstige vorm is. Kindjes met dit type hebben vaak al direct na de geboorte ademhalingsproblemen en worden meestal niet ouder dan twee jaar. Bij type 2 beginnen de symptomen tussen de zes en achttien maanden. Ook bij dit type zorgen ademhalingsproblemen voor een beperkte levensverwachting. Wel verschillen de ernst van de symptomen en het verloop van de ziekte van persoon tot persoon. Type 3 ontstaat tussen de peutertijd en de middelbare leeftijd. Mensen met dit type hebben vaak weinig problemen met de ademhaling, maar zijn op den duur wel aangewezen op een rolstoel. Type 4 ontwikkelt zich na het dertigste levensjaar en heeft een traag ziekteverloop met lange stabiele fasen, afgewisseld met relatief snelle achteruitgang. 

De verschillen tussen deze types worden in de grote meerderheid van de gevallen veroorzaakt door een afwijking in het SMN1-gen op chromosoom 5. Bij vrijwel alle kinderen met een bewezen diagnose SMA 1, 2 of 3 ontbreekt dit gen - of een deel ervan - op beide chromosomen 5. In bijna alle gevallen zijn beide ouders drager van een enkelvoudige afwijking in het SMN1-gen, dus slechts op één van hun twee chromosomen 5. Gelukkig bestaat er nog zoiets als het SMN2-gen, een gen dat weliswaar slechts een onvolledige kopie is en dus een minder efficiënt SMN2-eiwit produceert, maar toch de functie van het afwijkende SMN1-eiwit gedeeltelijk kan overnemen. De hoeveelheid van de productie van SMN2-eiwit is de bepalende factor in de indeling van SMA types 1,2,3.

Mogelijke therapieën

SMN2-type laten toenemen.

Laat dit fenomeen nu net een opstap zijn naar een oplossing om de gevolgen van SMA te minimaliseren.

De te volgen weg naar een therapie: een middel ontwikkelen dat het onvolwaardig SMN2-gen laat toenemen en dus ook het SMN2-eiwit. Daarbij wordt een middel gezocht om het SMN2-gen zo te laten vertalen dat het resulterende SMN2-eiwit beter lijkt op het ontbrekende SMN1-eiwit. 

De therapieën die momenteel onderzocht worden zijn:

  1. antisense-oligonucleotide (ASO) therapie: 

Bij deze benadering probeert men de kleine verschillen in het SMN-2 gen te veranderen, zodat het gen wordt ‘omgevormd’ tot een SMN-1 gen. Vervolgens wordt het weer veel beter mogelijk om het ontbrekende SMN-eiwit te maken. Hierdoor zouden de klachten die voorkomen bij SMA, sterk verminderd kunnen worden. Het gebruik hiervan lijkt op basis van de beschikbare gegevens veilig.
Onderzoeken naar effectiviteit van het medicijn zijn in volle gang (niet in Nederland). Een kandidaatmedicijn van Isis-Biogen dat op deze manier werkt (antisense oligonucleotide ISIS-SMNRx) werd in de VS reeds bij 24 kinderen met SMA getest, en de resultaten waren beloftevol.

  1. Kleine moleculen (‘small molecules’):

Deze groep medicijnen zorgt er net als bij de eerste benadering voor dat de hoeveelheid SMN-eiwit die wordt gemaakt door cellen in het lichaam, toeneemt door te zorgen dat het SMN2-gen een meer functioneel eiwit oplevert. Van de ‘small molecules’ is het werkingsmechanisme nog niet helemaal ontrafeld, maar dat ze werken staat vast. Twee middelen (‘Moonfish’ van Roche, ‘LMI070’ van Novartis) worden inmiddels op veiligheid en werkzaamheid getest.

Intact SMN1 gen reproduceren (gentherapie) 

Allereerst zijn er de medicijnen die we het best ‘gentherapie’ kunnen noemen. Deze medicijnen proberen de fout in het DNA te herstellen, door het defecte SMN-1 gen te vervangen. Het SMN-1-gen wordt door de medicijnen als het ware opnieuw ingebracht in de cellen van het lichaam, zodat de mensen met SMA, die het middel krijgen, weer voldoende SMN-eiwit kunnen maken. De eerste resultaten van deze aanpak lijken veelbelovend in proefdieren, indien er in een vroeg stadium van de ziekte wordt begonnen met de behandeling. De eerste resultaten van behandeling in mensen lijken aan te tonen dat de behandeling geen grote gezondheidsrisico’s met zich mee brengt, maar over de werkzaamheid is nog onvoldoende bekend.

Olesoxime

Een van de medicijnen waar de afgelopen jaren veel aandacht voor is geweest, is Olesoxime. Dit middel werd ontwikkeld door het Franse farmaceuticabedrijf ‘Trophos’, maar wordt momenteel verder ontwikkeld

door de medicijnfabrikant ‘Roche’. In de afgelopen jaren is er ook vanuit het SMA Expertise Centrum in het UMC Utrecht en het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ) geparticipeerd aan dit onderzoek, ook UZ Gent en Leuven UZ Gasthuisberg in België deden mee als klinisch trial centrum.

De eerste resultaten van de studie, die vorig jaar op het jaarlijkse SMA-congres in de Verenigde Staten werden gepresenteerd, lieten zien dat het middel mogelijk kan zorgen voor stabilisatie van de spierkracht bij mensen met SMA type 2 en 3 in een periode van 2 jaar. Er waren echter ook nog veel onduidelijkheden naar aanleiding van de eerste resultaten en het is lang onduidelijk gebleven wat er zou gebeuren met het middel. Olesoxime zal naar verwachting pas na 2016 beschikbaar zijn voor gebruik door mensen met SMA. De verwachting is dat Roche verder onderzoek zal starten in 2016 om het middel te testen. 

Hierop kan ik als ouder van onze dochter Julie van Tichelen reeds reageren dat wij na deelname aan de eerste trial (een tweetal jaar geleden) in de loop van november 2015 opnieuw zijn gecontacteerd om deel te nemen aan de vervolgstudie van Roche in 2016. De reden dat het zolang stil bleef, valt te zoeken in het feit dat de resultaten van de eerdere studie door Trophos niet volledig sluitend waren, waarna de firma de slagkracht miste om verder te gaan met het onderzoek. Pas nadat de farmareus Roche Trophos opkocht, kon eindelijk verder gegaan worden met de ontwikkeling van de stof. Onze beslissing om al dan niet mee te doen is nog hangende.

Wat te verwachten van SMA-studies

Ondanks het feit dat er heel wat kandidaatgeneesmiddelen worden onderzocht, moeten we realistisch blijven. De behandeling van SMA zal in de nabije toekomst voornamelijk neerkomen op het beogen van stabilisatie, eerder dan genezing. Met andere woorden: de ziekte zal mogelijk wel afgeremd of wie weet zelfs gestabiliseerd kunnen worden, maar de aangerichte schade zal niet zomaar hersteld kunnen worden. Een vroege diagnose zal dan ook cruciaal worden. Daarom is het met het oog op toekomstige therapieën belangrijk dat we ons nu al stilaan voorbereiden op een goede start van de therapie bij nieuwe SMA-patiënten d.m.v. de ontwikkeling van een test die kan opgenomen worden in de hielprikscreening bij pasgeborenen.   

Hoe onderzoek SMA-studie bevorderen

Het is belangrijk dat alle patiënten en hun familie zijn opgenomen in een SMA-register. In Nederland doet het UMC Utrecht dit, in België is het een taak voor de NMRC’s. Dit is belangrijk omdat SMA een zeldzame ziekte is. Voor een adequaat onderzoek dienen we uit een voldoende grote pool patiënten te kunnen putten om naar de beoogde doelgroep te kunnen zoeken! 

Dit gebeurt aan de hand van: 

  1. Vragenlijst 
  2. Lichamelijk onderzoek 
  3. Registratie verloop ziektebeeld; zo divers en dus belangrijk daar dit een verwaarloosd punt is sinds de ontdekking van het SMA-gen.
  4. Om een goed onderscheid te kunnen maken in de evolutie van een medicijn is het ook van belang om een goed beeld te hebben van “het natuurlijke verloop” van SMA.

Hierbij is het van groot belang onderzoek te doen naar:

  • vermoeidheid en SMA; zwakte door herhaling 
  • familiale achtergrond SMA (erfelijk of spontaan)
  • onderzoek naar kwaliteit van leven
  • ziekteperceptie, ingesteldheid van patiënt. Wat zeer bijzonder is bij SMA-patiënten t.a.v. andere aandoeningen, gedrevenheid en optimisme, vechtlust. Niet te vergeten doorzettingsvermogen en zich richten op studies/ arbeidsmarkt en zeer inclusiegericht denken.

Slikproblemen bij SMA

In Nederland loopt momenteel een project “EetSMAkelijk. Slikproblemen bij SMA”.

Het is een onderzoek dat zich richt op slikproblemen bij SMA-patiënten. Voedings- en slikproblemen komen namelijk veel voor bij hen. Deze problemen kunnen leiden tot overgewicht of ondergewicht en luchtweginfecties (longontsteking omdat men zich verslikt waardoor etensresten in de luchtpijp komen, de zgn. slikpneumonie). Het is dus belangrijk om deze problemen vroegtijdig te signaleren en gerichte adviezen te kunnen geven voor een goede voedingstoestand en om luchtweginfecties te voorkomen. 

Hiervoor is meer kennis nodig over de oorzaken van de slikproblemen bij SMA-patiënten. In het onderzoek “Eet SMAkelijk” gaat men daarom onderzoeken hoe vaak slikproblemen precies voorkomen en wat de oorzaken hiervan zijn.

Verschillende factoren kunnen hierbij een rol spelen, zoals een beperkte mondopening, beperkte bijt- en kauwkracht, beperkte kracht van keelspieren en zwakte van houdingsspieren. Het onderzoek is gericht op het voorkomen, de oorzaken van, en de behandeling van slik- en voedingsproblemen (vooral houding bij eten).

Hopelijk heb ik jullie een beetje meer info kunnen verstrekken m.b.t. het congres in Veldhoven (NL). Wat mij betrof, was het zeer leerzaam en interessant. Hopelijk komen jullie volgend jaar ook een kijkje nemen, want eerlijk gezegd is het interessant te horen waar de gelijkenissen en verschillen qua aanpak liggen.

Met vriendelijke groeten,

Van Bel Katleen 
Diagnoseverantwoordelijke SMA-jongeren, Nema vzw
mama van Julie van Tichelen