Het M-decreet in ons onderwijs Met de M van meer inclusie?

Auteur: Luc Vlerick, Nema vzw - verschenen in NM106, pag. 36-38

Op 1 september 2015 trad voor het onderwijs in Vlaanderen het M-decreet in werking. De ‘M’ staat voor ‘maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften’. In principe wordt voor leerlingen met een beperking gewoon onderwijs de regel en buitengewoon onderwijs de uitzondering. Elk kind krijgt het recht om zich in te schrijven in een gewone school. Ook kinderen die ‘niet meekunnen’. Zij hebben het recht om ‘mee te doen’ in het gewoon onderwijs op basis van een individueel aangepast curriculum. De school kan deze kinderen weigeren, maar moet echt kunnen aantonen dat de gevraagde aanpassingen ‘onredelijk’ zijn.

Aanloop

Reeds in 1998 dringt de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) aan op inclusief onderwijs, ‘dat vertrekt vanuit de gedachte dat zoveel mogelijk, in beginsel alle, kinderen en jongeren, kwaliteitsvol onderwijs kunnen volgen in een gewone school. Inclusief onderwijs moet ook vorm krijgen in een zinvol curriculum voor elke leerling, een flexibele school- en klasorganisatie en het verstrekken van ondersteuning waar nodig’. 

Het aantal leerlingen dat doorverwezen wordt naar het buitengewoon onderwijs bleef jarenlang toenemen. Het aantal kinderen in het buitengewoon basisonderwijs is sinds 1989 verdubbeld. Voor het eerst zien we nu een daling. Schooljaar 2014-2015 zijn er 26.757 kinderen ingeschreven in het buitengewoon basisonderwijs. Schooljaar 2013-2014 waren er dat 28.307 en ook daarvoor waren er dat telkens meer dan 28.000. In het buitengewoon secundair onderwijs blijven we wel een stijging vaststellen. 

Gewone scholen die het echt willen, vaak na aandringen van ouders en/of door een persoon in de school die er om persoonlijke redenen voor open staat, kunnen al veel bijdragen tot het slagen van een inclusieproject. Een geëngageerde leerkracht komt enkele uren aan huis als het kind ziek is, een vak (LO, tekenen) wordt gesupprimeerd of aangepast, proefwerken kunnen mondeling of op PC of hoeven niet als het dagelijks werk voldoet, enz. Maar veel ouders die kiezen voor inclusief onderwijs ervaren heel wat tegenkanting, zeker als een individueel traject nodig is. Vaak wordt het hen zo lastig gemaakt dat ze hun zoon of dochter met een handicap later toch inschrijven in het buitengewoon onderwijs. 

In 2009 ratificeerde België het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH). Dit is bindend en daarom wordt het ook opgevolgd door een internationaal VN-Comité, dat eind 2014 zijn bevindingen publiceerde. Daarin lezen we o.a. dit: ‘Het Comité is bezorgd over het feit dat vele leerlingen met een handicap naar het buitengewoon onderwijs worden doorverwezen en verplicht zijn om daar onderwijs te volgen wegens het gebrek aan redelijke aanpassingen in het gewone onderwijssysteem. Omdat geen inclusief onderwijs wordt gewaarborgd, blijft het buitengewoon onderwijs al te vaak de enige optie voor kinderen met een handicap. Het Comité is ook bezorgd over de gebrekkige toegankelijkheid van scholen. Het Comité vraagt om een coherente strategie in te voeren inzake inclusief onderwijs voor kinderen met een handicap in het gewone onderwijs, waarbij gezorgd dient te worden voor voldoende financiële, materiële en menselijke middelen. Het Comité beveelt aan om erop toe te zien dat kinderen met een handicap in het onderwijs de nodige ondersteuning krijgen en onder andere te zorgen voor: toegankelijke schoolomgevingen, redelijke aanpassingen, individueel aangepaste leerplannen, assistentie- en ondersteuningstechnologieën in de klassen, toegankelijk en aangepast educatief materiaal en educatieve programma's en voor alle onderwijzers, met inbegrip van onderwijzers met een handicap, een kwaliteitsvolle opleiding (…). Het Comité beveelt ook aan om van inclusief onderwijs een basisvak te maken in de lerarenopleiding (…).’

De ondersteuning voor kinderen met een beperking in het gewoon onderwijs wordt geregeld via GON (Geïntegreerd onderwijs) of ION-begeleiding (begeleid inclusief onderwijs, alleen voor kinderen met een verstandelijke beperking, type 2). Voor heel wat leerlingen is het urenpakket van die ambulante begeleiding uit het buitengewoon onderwijs ontoereikend. Voor kleuters met een verstandelijke beperking (type 2) is die ondersteuning zelfs onbestaand, idem voor leerlingen met een lichte verstandelijke beperking. Sommige ouders schakelen een PAB-assistent in voor de ondersteuning binnen inclusief onderwijs, maar de wachtlijst voor PAB is dramatisch lang. De Prioriteitencommissies kennen zelden een PAB toe dat een modaal gezin wil inzetten met het oog op inclusief onderwijs voor hun kind. 

Bedenkingen bij het M-decreet

De grote stap vooruit met dit decreet is de erkenning – zoals opgelegd door het VN-verdrag – dat de inclusie van een kind met een beperking in het gewoon onderwijs een recht is, een evidentie, en dat buitengewoon onderwijs de uitzondering is. Dat zal scholen en leerkrachten die zich minder betrokken voelden ongetwijfeld gunstiger stemmen tegenover inclusie. Zo kunnen meer kinderen naar de school in de buurt. Het grote pluspunt is de interactie tussen kinderen met en zonder handicap, de voorbereiding op de grotemensenwereld. Kinderen leren dat diverse mensen in onze samenleving aanwezig zijn en erbij horen.

Het M-decreet voorziet momenteel bovenop GON of ION-begeleiding geen enkele bijkomende structurele ondersteuning. Wel is er een waarborgregeling, wat inhoudt dat men de komende jaren zal opvolgen hoe leerlingenaantallen verschuiven van buitengewoon naar gewoon onderwijs en de middelen in die zin ook zal laten volgen. Voor het schooljaar 2015-2016 is bovendien een pre-waarborg-regeling opgestart waardoor 180 leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs zullen worden ingezet om “leraren en leerkrachtenteams in het gewoon basisonderwijs handelingsbekwamer te maken in hun onderwijs aan kinderen met specifieke onderwijsbehoeften”. Maar iedereen zegt dat het te weinig is. Ook vanuit de vakbond van leerkrachten en de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) wordt meer ondersteuning door het onderwijsbeleid noodzakelijk geacht. 

Volgens minister Crevits werkt een werkgroep aan een nieuw kader voor GON- en ION-ondersteuning. Volgens het rapport in De Standaard van 16 en 17 november is de 5 uur voorziene ondersteuning “te weinig om het schooltraject van een inclusiekind goed in te vullen. Zonder de steun van extra stagiairs, vrijwilligers en andere vormen van begeleiding zou ik (de begeleidster) dit niet kunnen volhouden”.

Volgens Elisabeth De Schauwer van de Gentse vakgroep Orthopedagogie zijn veel leerkrachten helemaal niet voorbereid op een andere manier van lesgeven, “minder klassiek, meer open en coöperatief”. En de ondersteuners vanuit het buitengewoon onderwijs “mogen dan wel de noden van de zorgkinderen kennen, het is ook voor hen een nieuwe, onbekende context”.

Algemeen ontbreekt het aan een pedagogisch kader van hogerhand. “Momenteel gaat het eigenlijk om een platte besparingsmaatregel en hangt het slagen of falen af van de goodwill van de leerkrachten”, aldus een juf. 

Een leerling in het buitengewoon basisonderwijs kost de overheid gemiddeld 10.800 euro per jaar meer dan een leerling in het gewoon onderwijs. De 1550 leerlingen minder in dit schooljaar vertegenwoordigen dus een bedrag van 16.740.000 euro. Wanneer leerlingen de kans krijgen om inclusief onderwijs te volgen in de school in de buurt, valt bovendien de kost voor het buitengewoon vervoer (geschat op 65 miljoen euro) voor een deel weg.

Het M-decreet verplicht het gewoon onderwijs tot het bieden van redelijke aanpassingen. Als een school een kind de inschrijving ontzegt moet de school schriftelijk bewijzen dat de nodige aanpassingen onredelijk zijn. Vroeger was het voldoende te zeggen dat voor de school de ‘draagkracht’ ontbrak. Het wordt uitkijken of dit inschrijvingsrecht wel consequent toegepast wordt voor alle leerlingen, ook voor leerlingen die inclusief onderwijs volgen met een individueel aangepast curriculum. 

De Commissie inzake leerlingenrechten (CLR) behandelt betwistingen wanneer leerlingen worden geweigerd. Maar de beslissingen van de CLR zijn niet bindend en er is geen mogelijkheid om tegen die beslissingen in beroep te gaan. Naar de rechtbank stappen om een weigering van een school te betwisten is mogelijk, maar die stap schrikt heel wat ouders natuurlijk af.

De fysieke toegankelijkheid van veel schoolgebouwen blijft een probleem. 45% van de scholen zijn onvoldoende toegankelijk. Waarom legt het beleid niet de verplichting op en ziet het er niet op toe dat bij nieuwbouw of verbouwingen van scholen de integrale toegankelijkheid wordt gegarandeerd?

Voor een kind met een beperking is het gemakkelijker een plaats te vinden in een semi-internaat of internaat in combinatie met buitengewoon onderwijs dan een persoonlijke assistentiebudget (PAB) toegekend te krijgen dat in het gewoon onderwijs kan worden ingezet. Op de laatste inclusiedag van Ouders voor Inclusie beloofde Minister van Onderwijs, Hilde Crevits, af te stemmen met haar collega op Welzijn, minister Jo Vandeurzen, om het probleem aan te pakken. We kijken ernaar uit.

Zonder bijkomende maatregelen voor ondersteuning, zowel persoons- als schoolgebonden, en zonder een duidelijke wil om er concreet werk van te maken, blijft inclusie van leerlingen met een handicap in sterke mate een aangelegenheid van sociaaleconomisch sterke gezinnen. Deze gezinnen kunnen een oplossing uitwerken voor de ontbrekende ondersteuning, bv. door vrijwilligers erbij te betrekken, door met de school te onderhandelen of door eigen middelen in te zetten.

Onze conclusie

Het M-decreet is een stap vooruit naar inclusie. Dringend nodig zijn budgetten (die voor een deel vrijkomen in het buitengewoon onderwijs) enerzijds voor de omkadering van inclusief onderwijs in gewone scholen, de ondersteuning van de school (inclusief leerkrachtenvorming en –begeleiding, verbetering toegankelijkheid), en anderzijds voor bijkomende persoonsgebonden ondersteuning om tegemoet te komen aan de specifieke noden van individuele leerlingen. Dat laatste houdt verband met de schrijnende nood aan gegarandeerde ondersteuning vanuit het VAPH voor duizenden personen met een beperking. Algemeen moeten we blijven werken aan een positieve beeldvorming bij de man-en-vrouw-in-de-straat over personen met een beperking zodat ook voor hen inclusie een evidentie is. 

Bronnen:
GRIP (Gelijke Rechten voor Ieder Persoon met een handicap), www.gripvzw.be
De Standaard met een reeks reportages in het kader van ‘Hart voor handicap’
Brandpunt, maandblad van de Christelijke Onderwijscentrale
www.ond.vlaanderen.be/specifieke-onderwijsbehoeften/beleid/M-decreet/